Laila - die lijdt een aan agressieve ziekte die haar lichaamsfuncties snel zal afbreken - wordt opgenomen in een ziekenhuis en raakt daar bevriend (of misschien wel meer dan bevriend) met een kwikzilvervlugge jongen die zich El Rato ('Het moment') noemt. Via een oud dagboek komen ze achter het bestaan van een zeldzame bloem, die misschien wel Laila's ziekte kan genezen. Ze besluiten achter die bloem aan te gaan. Probleem: die schijn je alleen maar diep in het oerwoud te kunnen vinden, en de man die hem destijds vond is al veertig jaar niet meer gezien...
Zoals ook in de vorige twee boeken het geval was, verheug je je tijdens het lezen voortdurend in de exuberantie van het schrijfplezier van Morisonotto. Hij laat de aandacht nooit verslappen, hij brengt precies genoeg lichtheid én precies genoeg serieuziteit aan om je zowel te vermaken als te ontroeren. Gevolg: wegraken, wegzinken, wegkruipen. Deze boeken bieden honderden pagina's aan verplaatsing: je bent in Lima, in Cuzco, in Aguas de Calientes, in een vliegtuig, in een toeristentrein, in een tokkelend bootje op de Amazone, in de gedachten van Laila en El Rato, en in die van de kleurrijke bijpersonages.
Het mooiste is dat Morisonotto alles altijd begeleidt met het vuur van kindervriendschappen. In deze boeken klopt een fantastisch hart. En daarom is de grootste vraag na het lezen van ook weer dit deel: wat gaat deze schrijver hierná doen?
Dit boek werd weer uitstekend vertaald door Pieter van der Drift en Manon Smits.
544 pagina's, leeftijd: 10+. Koop dit boek bij je lokale boekhandel, of bestel het hier.
Ten eerste aan de stem van Joshua, de hoofdpersoon. Vanaf zin één ben je bij hem. Sassen schuift hem voor je ogen en je wilt niet meer om hem heen. Je voelt zijn wanhopige verlangen naar Zivan, naar de troost en de lichtheid die zijn allerbeste vriendin hem al jaren brengt, en die nu verdwenen is, omdat zij verdwenen is - terug naar Irak.
Ten tweede door de bijpersonages. Sergio en Dylan, de jongens van wie Joshua het allerminst had gedacht dat ze vrienden van hem zouden kunnen zijn, maar die dat toch worden - ze staan garant voor de ene grap na de andere, maar ook voor flink wat stoere ontroering.
Ten derde door de stijl. Door dit boek vlíég je, maar dan zo dat je geen enkele nuance mist. Dat komt door Sassens helderheid, maar net zo goed door hoe ze de zinnen over de bladzijden verdeelt. Hoewel het verhaal stikt van de nuances, is het dus óók heel toegankelijk.
Ten vierde door de beelden. Joshua tekent zich een weg door de wereld, en hoewel hij aan het begin van het boek denkt dat zijn tekenwerk iets van hemzelf is, blijkt het de weg naar vriendschap, naar bevrijding, naar verwerking. Martijn van der Linden maakte in vele stijlen de beelden van Joshua: dieren, meisjes, naakten en nog veel meer. Ze zijn prachtig van zichzelf en ze zijn prachtig vanwege de lading die ze toevoegen aan de toch al geladen tekst van Sassen.
Ten vijfde: de relevantie. Van een boek waarin de meest hilarische scène een uitgebreide rondleiding in het Rijksmuseum is, zou je misschien niet verwachten dat het meeklopt in de slagader van de tijd. Maar dat doet het op een onnadrukkelijke manier zéér. Uitgehuwelijkt worden, armoede, je lichaam aanbieden omdat je aardig gevonden wil worden, non-binairiteit - alles komt langs. Niet als 'onderwerp' maar als volkomen vanzelfsprekend begrip waar jongeren mee in aanraking komen.
Erna Sassen schreef een van die zeldzame romans die álles hebben. Relevantie dus, maar evenzeer snelheid, humor, stijl, originaliteit, ontroering - Zonder titel is eenvoudigweg fantastisch.
256 pagina's, leeftijd: 15+. Koop dit boek bij je lokale boekhandel, of bestel het hier.
Nee, een groot talent voor pakkende titels had ze misschien niet, en ook het omslag is niet bijster aantrekkelijk, maar er valt weer veel te genieten in dit boek, dat zich trouwens niet op jongeren of kinderen richt en het dus niet per se moet hebben van spanning of makkelijk lezen. Maar de keuzes die Rutgers van der Loeff maakte zijn interessant. Ten eerste laat ze het verhaal in een fictief Afrikaans land spelen, met fictieve personages, maar op zo'n manier en met zulke zintuiglijke details dat alles schier echt aanvoelt. Hoofdpersonage is Martie, een meisje dat zich vooral met vaccineren bezighoudt (tegen mazelen met name) en dat samenwoont met de wat struisere en stuursere Bea. En er zijn ook jongens. Er is de vlotte en welbespraakte Lex, en de eenvoudigere, maar meer praktische Dirk. Beiden zijn dol op Martie, maar zij voelt zich wat klem zitten tussen de aandacht van de jongens (die zich bijvoorbeeld, heel grappig, om de beurt ergeren aan het feit dat Martie volgens hen in haar conversatie woorden overneemt van de ander).
Zoals vaak bij Rutgers van der Loeff bevindt de schrijfster zich vooral in het hoofd van haar eerste personage, maar ze kan, als een zwevend geestje, ook soms zomaar een alina vanuit een van de twee jongens schrijven. Het is razand knap hoe soepel Rutgers van der Loeff dat doet en hoe het totaal geen moeilijkheden voor de lezer oplevert.
Zoals gezegd: Gewoon in het ongewone is niet haar gemakkelijkste en ook niet haar spannendste boek. Maar het is intrigerend hoe het doortrokken is van de ambivalentie over ontwikkelingswerk. Het boek verscheen in 1971, maar kan, juist door het belichten van alle kanten, van nu zijn. Zo zegt Lex ergens bijvoorbeeld: 'We hebben niet het récht die mensen onder druk te zetten. We hebben niet het recht misbruik te maken van onze vervloekte huidskleur.' En ook verder gaat het steeds over wat de zin van ontwikkelingswerk zou moeten zijn, kan zijn, of totaal niet is. Die voortdurende nuancering alleen al maakt dit vergeten boek tot een boeiende leeservaring.
Net als de andere dieren op de boerderij kijkt de lezer toe: waarom doet hij dat? Maar dan komt er een warme uitnodiging aan iedereen: Kom je op mijn feestje, het lijkt me leuk je te leren kennen. Het boek gaat vervolgens over hoe de al lang gesettelde dieren leren wennen aan een nieuwe bewoner en aan nieuwe gewoontes. Daarmee pleit Kamiel de kameel op een heel natuurlijke manier voor het opschorten van je eerste oordeel en voor het voeren van een open blik.
Net als in Lammers' eerdere prentenboeken Het lammetje dat een varken is en De boer en de dierenarts legt de schrijver die boodschap er nergens boterdik bovenop, maar tóónt hij simpelweg. Ook de tekeningen doen dat op een feestelijke manier. Het is een groot plezier om alle details te zoeken die Suzan T'Hooft aangebracht heeft. We kunnen de twee muisjes volgen die overal verstopt zijn, maar let ook eens op de foto's die Kamiel aan de wand van zijn nieuwe stal gehangen heeft: die laten wél iets van de voorgeschiedenis zien. Zo slim gedaan!
32 pagina's, leeftijd: 4+. Koop dit boek bij je lokale boekhandel, of bestel het hier.
Dit boek is voor jongere kinderen dan zijn andere boeken en is geen realistische roman, maar een heerlijk lolverhaal over twee vrienden die een nachtelijk avontuur met dino's meemaken. Of nee: met zombiedino's. Wie doet er mee aan de zombierace? kwam uit in de serie Tijgerlezen en is een van de heerlijkste delen.
De reeks, die op 'gelukkig leren lezen' is gericht, oftewel: écht leesplezier voor kinderen die nog niet heel goed kunnen lezen of er niet zo van lijken te houden, biedt met dit deel weer volop gein. Daarbij zit het verhaal soepel in elkaar, met plot-elementjes die zacht ploefend op hun plek vallen, en eindigt het zoals dit soort boeken moeten eindigen, namelijk met een fantastische over-de-top-actiescène met een tevredenstemmende slotbladzijde tot gevolg. Resultaat: Simon van der Geest laat weer eens zien wat hij allemaal kan en de beginnende lezers hebben er een toptitel bij.
140 bladzijden, leeftijd: 7+. Koop dit boek bij je lokale boekhandel of bestel het hier.
Dat kon Rutgers van der Loeff als geen ander: een onderwerp aangereikt krijgen en er dan een volkomen eigen boek van maken. Ook Ik ben Fedde is weer behoorlijk verbluffend. Want: het is vooral een rauw boek. Van der Loeff schreef het toen ze zelf al aardig op leeftijd was, maar dat is nergens te merken. Over de research voor dit boek zei ze: 'Ik ben overdonderd door al wat op me af is gekomen tijdens de gesprekken met de kinderen, de ouders, de maatschappelijk werkers, de kinderrechters. Ik was er kapot van.' Die betrokkenheid toont ze in dit brutale en overrompelende portret van de achttienjarige Fedde, die, zoals een personage zegt: 'geen harde jongen is, maar er wel zijn best voor doet.' Hij is uit huis geplaatst, heeft van tehuis naar tehuis gezworven en moddert nu van baantje naar baantje, van meisje naar meisje, van wiet naar handelen in wiet en van slaapplek naar slaapplek.
De aanpak van Rutgers van der Loeff is zo interessant: ze benadert Fedde van alle kanten. Soms zien we hem door de blik van een kinderrechter, soms vanuit hemzelf, soms door een meisje dat hij op de kermis treft. Soms ook door het lezen van de tekst van een rapport van wéér een instantie. Ook bijzonder: samen met het portret van Fedde krijgen we stukken vanuit andere onder toezicht gestelde jongeren. Ze hebben ergens een ontmoeting met Fedde, maar zijn soms ook niet meer dan een naam die hij zich herinnert. Door deze mozaïekaanpak komen we op een wervelende manier heel veel te weten van deze jongeren. Maar uitleggerig wordt het nergens, eerder is het een kwestie van goed opletten, omdat Rutgers van der Loeff niet geïnteresseerd is in lesjes, maar in beweging, gebeurtenissen, observaties van binnenuit. O, en denk maar niet dat ze zin heeft in het vermijden van dat wat voor een achttienjarige jongen van belang is (zo schrijft ze ergens, in de stream of consciousness die dit boek ook is, dat de jongen besluit even rustig aan te doen met seks: 'Dan maar een beetje selfhelp - daar kwam je dan ook wel mee klaar, voorlopig.') En denk ook maar niet dat de schrijfster voorziet in een fijne, liefdeszoete afloop voor iedereen...
Tenslotte: die schrijfstijl. Natuurlijk lezen we er nu vooral de taal van de tijd in, maar dat is alleen maar de verpakking. Lees bijvoorbeeld deze passage, zomaar ergens uit de tekst geplukt:
Omdat het te koud werd, liep hij naar beneden en de straat op. Buiten begon het al licht te worden. De hemel was een warreling van zachte tinten, van grijs tot lila, lichtblauw en roze. De zon ging natuurlijk op, maar dat zag je niet van hier. In de polder zou je het kunnen zien, vanaf het allereerste ogenblik, het allereerste ronde kapje dat boven kwam en dat behoorde oranje te zijn. Een oranje segmentje.
Dat oranje kapje! En dit is dan maar een zijdelingse observatie, die niet gaat over de harde strijd om het doorkomen van de dag. Nu ja, ik wil maar zeggen: Ik ben Fedde, een boek dat in Nederland niet eens geldt als een van Rutgers van der Loeffs bekendste boeken, maar waar ze wel de Deutscher Jugendliteraturpreis voor kreeg, was weer een kleine openbaring voor mij. Wat een schrijfdurf had deze vrouw.
158 pagina's, leeftijd: 15+. Dit boek is niet meer leverbaar, zoek het in een bibliotheek of tweedehands.