Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht an rutgers van der loeff. Sorteren op datum Alle posts tonen
Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht an rutgers van der loeff. Sorteren op datum Alle posts tonen

woensdag 19 augustus 2020

DIE MAN DAAR IS MIJN VADER - An Rutgers van der Loeff/Miek Dorrestein (Ploegsma, tekeningen van Reintje Venema)

Het is vandaag - 19 augustus 2020 - precies dertig jaar geleden dat An Rutgers van der Loeff stierf, en ik ben al een tijdje bezig met het lezen van haar hele oeuvre (zie hier, hier, hier en hier) - dus vandaag is de juiste dag voor verslag nummer vijf. In dit stuk een ander aspect van haar schrijverschap: de speurdersverhalen. Die heeft ze doorheen haar hele carrière geschreven. Zo is er Vals spoor in Waterland (1967, tekeningen van Jan Sanders), dat in Edam speelt, en waarvoor Rutgers van der Loeff onderzoek deed bij het hoogheemraadschap - nadat in Duitsland was gevraagd of ze niet eens over een 'heel Nederlands' onderwerp kon schrijven. Het is een kleurrijk en om eerlijk te zijn nogal ingewikkeld plot geworden, maar al die watertermen zijn interessant, en zoals vanouds zijn de dialogen erg fijn. Datzelfde geldt (alleen wat mij betreft wat minder geslaagd) voor Spionage in de studio (1968, tekeningen Dick Stolwijk), dat in de balletwereld speelt. Overigens werd het eerstgenoemde boek in 1972 verfilmd voor televisie.

Maar in 1976 schrijft Rutgers van der Loeff geen jeugdboek, maar een hoorspel over een van de daders van de beruchte Britse treinroof - meer bepaald over zijn tienerkinderen, die er langzaam achter komen wie hun vader was en waarom ze al jarenlang steeds onder andere namen van school en woonplek moeten wisselen. Uitgeverij Ploegsma wil er in het begin van de jaren tachtig eigenlijk wel een échte uitgave van maken, maar de schrijfster heeft geen zin om een en ander weer op te pakken. Het zijn de nadagen van haar carrière en er volgens enkel nog wat korte verhalen in de streepjesreeks (boeken voor kinderen die moeite hebben met lezen, zoals Een rare zaak, 1983, tekeningen van Ietje Rijnsburger, opnieuw een grappig speurverhaal, dit keer met een papegaai in de hoofdrol, ook dit boek valt niet zozeer op door het plot, maar wel door de stijl en de humor) en wat boeken voor volwassenen. Maar op een signeersessie ontmoet Rutgers van der Loeff de dan beginnend schrijfster Miek Dorrestein - aan wie verzocht wordt er een jeugdboek van te maken. Die man daar is mijn vader (1981), met tekeningen van Reintje Venema, is het resultaat: een vlot, snel, redelijk origineel boek, waarbij opnieuw de dialogen (die zijn door Dorrestein overgenomen uit het hoorspel) in positieve zin opvallen. Een fijn tussendoor-leesboek. 

Tot zover een klein verslagje van mijn leeservaringen bij de speurdersboeken. Maar ik wil toch nog even wat schrijven over Een leven lang. Dat boek is niet voor kinderen geschreven maar ik beleefde er erg veel plezier aan. In september verschijnt mijn interviewboek (met queer jongeren) dat ik samen met Floor de Goede maakte - ik deed de gesprekken, hij maakte portretten -, en daardoor was ik extra geïnteresseerd toen ik ontdekte dat An Rutgers van der Loeff in 1981 al een interviewboek publiceerde, met 'boeiende mensen', zoals op het omslag staat, en dat de befaamde Mance Post hun portret tekende. In Een leven lang staan mooie levensverhalen van over het algemeen mensen van boven de tachtig. Ze kijken terug op armoede, oorlog, geluk, jeugd, liefde en zelfs seksualiteit. Een prachtig tijdsdocument, waar af en toe ook iets van de overtuigingen van de dan zeventigjarige Rutgers van der Loeffzelf  in doorschemert. Vandaag is haar sterfdag dus dertig jaar geleden, en daarom herdenk ik haar extra. Maar als u mij toestaat lees ik ook nog even verder in haar oeuvre. Tot nu toe: niets dan verrassingen. 

(Biografische gegevens uit de biografie van An Rutgers van der Loeff door Joke Linders, 1990, De Prom.)


woensdag 22 juli 2020

DE KINDERKARAVAAN (met tekeningen van Kees de Kiefte) en AMERIKAANS AVONTUUR - An Rutgers van der Loeff (Ploegsma)

Ik lees An Rutgers van der Loeff. Dat deed ik nooit, tot dit jaar, maar ik ben inmiddels zo verslingerd geraakt aan haar werk dat ik het ene na het andere boek zocht, kocht en verslond. Ik deed er hier, hier en hier al verslag van. Toch stelde ik het lezen van een van haar twee beroemdste boeken, De kinderkaravaan (het andere is Lawines razen) steeds nog even uit. Nu nam ik het wel ter hand en kon dus nagaan of het voor mij ook een van haar beste werken was.

De kinderkaravaan is gebaseerd op een krantenknipsel dat de schrijfster van haar uitgever kreeg, met de vraag: 'Is dit niet iets voor jou?' In het artikel stond de reis beschreven die de kinderen uit het Amerikaanse gezin Sager in 1843 maakten. Ze trokken dwars door de Verenigde Staten, van Oost naar West, van Tennessee naar Oregon, om de droom van hun vader (zich als pionier vestigen in het door de witte Amerikaan nog niet ontdekte 'Vrije Westen') waar te maken. De ouders stierven beiden al vroeg tijdens de reis, en de zeven kinderen voltooiden onder leiding van de dertienjarige John, samen met een hond en een koe, een bijna niet te overleven reis. Ze overleefden wél, en het verloop is zo bijzonder dat het niet moeilijk te begrijpen is dat An Rutgers er een spannend, uitzonderlijk verhaal in zag. Ze deed veel onderzoek en De kinderkaravaan werd in 1949 gepubliceerd als een van haar eerste boeken - en meteen was haar naam gevestigd. Het boek werd in vijftien landen vertaald en beleefde in Nederland vele, vele heruitgaven, met steeds weer nieuwe tekeningen. Ik las de twintigste druk, uit 1990, met tekeningen van Kees de Kiefte, nadat eerder Carl Hollander, Rein van Looy en Laura Kuiper het boek al illustreerden.

Ik las overigens ook het erop volgende boek van Rutgers van der Loeff, Amerikaans avontuur (1951, eveneens verschenen als Amerika, pioniers en hun kleinzoons), een boek dat vergelijkbaar is, dat wil zeggen: ook hier gaat het over de vele pioniers die het Westen van Amerika probeerden te 'veroveren'. Het boek lijkt tegelijkertijd weer helemaal níét op De kinderkaravaan - vanwege de opzet. Het randverhaal is dat van een groep jongeren die samen met hun begeleiders in een in de bergen gestrand vliegtuig moeten wachten op hulp, en die wakker en optimistisch gehouden worden door een paar volwassenen die hen om de beurt het verhaal van de pioniers vertellen. Dat gedeelte, dat het grootste aantal bladzijden in beslag neemt, is feitelijk als non-fictie geschreven. Daarmee is Amerikaans avontuur overigens ook wat lastiger te lezen en valt te begrijpen dat dit boek géén klassieker werd.

Bij beide boeken valt de bewondering van de schrijfster voor de pionierende 'helden' op. Samen met de ruige natuur zijn de Indianen, met name in De kinderkaravaan, de 'vijand'. Dat feitelijk hun land ingenomen werd wordt in dat boek nergens vermeld. Sterker nog: er wordt zelfs gezegd dat het babyzusje van de familie, dat vrijwel uitgedroogd is, niet gezoogd mag worden door een vrouw van een van de inheemse volkeren - 'alleen door een blanke vrouw'. Dat is uiteraard kwalijk, en daarmee zijn deze boeken wel verouderd te noemen. Ik weet niet of die kritiek destijds ook al geklonken heeft, maar in het tweede boek wordt door Rutgers van der Loeff wél betoogd dat hen onrecht is aangedaan, en met name via de toespraak van een van de begeleiders aan het eind van het boek pleit ze fel tegen discriminatie. Toch is ook het verhaal in dit boek geheel door witte ogen bekeken (vooral wat over zwarte Amerikanen, die - gebruikelijk in die tijd - met het n-woord worden aangeduid, verteld wordt - wellicht was het standpunt van de schrijfster voor die tijd vooruitstrevend, maar nu zien we vooral dat het vanuit een hoger ingeschat wit standpunt bekeken wordt). Bovendien worden de mannen (bijna altijd alleen maar mannen) die het avontuur aangingen vrijwel zonder uitzondering als dappere geweldenaars beschreven. Dat maakt van beide titels boeken die alleen nog als historische kinderboeken gezien kunnen worden.

Dat gezegd hebbende (en op die manier lezende) is De kinderkaravaan een verhaal dat de lezer nog altijd flink aan kan grijpen. Rutgers van der Loeff heeft haar vooronderzoek ongemeen diepgaand aangepakt, het is fantastisch hoe zintuiglijk dit avontuur vaak is. Van het los moeten trekken van een van de zusjes uit het drijfzand, tot de hagelbui die tijdenlang over de kinderen heen raast (ze staan tegen een rots geleund en kunnen nergens schuilen), tot de beschrijving van Oscar de hond en Anna de koe, tot de dialogen tussen de kinderen, tot de determinatie, maar vooral ook de vertwijfeling van de oudste jongen - het is allemaal geweldig gedaan. En het einde... het einde is van een heel grote schoonheid. Als de kinderen eindelijk ter plekke zijn, eindelijk gered, en de dertienjarige John eindelijk mag instorten. Amerikaans avontuur zou ik dus niet meer aanbevelen, maar alleen die eindscène al maakt De kinderkaravaan inderdaad tot een ware klassieker - die van enige nuance voorzien en in zijn tijd geplaatst moet worden.

P.S.: An Rutgers van der Loeff kon het destijds niet weten, maar het échte verhaal van de kinderen Sager blijkt toch enigszins anders te zijn - zie dit artikel.


 

zaterdag 27 maart 2021

IK BEN FEDDE - An Rutgers van der Loeff (Ploegsma)

Vorig jaar ontdekte ik het werk van de schrijfster An Rutgers van der Loeff - en wát een ontdekking was dat! Ik deed er regelmatig verslag van, maar door omstandigheden trad er even een pauze in het lezen van haar verdere oeuvre op. Dat heb ik nu weer opgepakt, en wel met de jeudgroman Ik ben Fedde, die in 1972 verscheen en geschreven werd naar aanleiding van '50 jaar ondertoezichtstelling - 50 jaar kinderrechter'. 

Dat kon Rutgers van der Loeff als geen ander: een onderwerp aangereikt krijgen en er dan een volkomen eigen boek van maken. Ook Ik ben Fedde is weer behoorlijk verbluffend. Want: het is vooral een rauw boek. Van der Loeff schreef het toen ze zelf al aardig op leeftijd was, maar dat is nergens te merken. Over de research voor dit boek zei ze: 'Ik ben overdonderd door al wat op me af is gekomen tijdens de gesprekken met de kinderen, de ouders, de maatschappelijk werkers, de kinderrechters. Ik was er kapot van.' Die betrokkenheid toont ze in dit brutale en overrompelende portret van de achttienjarige Fedde, die, zoals een personage zegt: 'geen harde jongen is, maar er wel zijn best voor doet.' Hij is uit huis geplaatst, heeft van tehuis naar tehuis gezworven en moddert nu van baantje naar baantje, van meisje naar meisje, van wiet naar handelen in wiet en van slaapplek naar slaapplek. 

De aanpak van Rutgers van der Loeff is zo interessant: ze benadert Fedde van alle kanten. Soms zien we hem door de blik van een kinderrechter, soms vanuit hemzelf, soms door een meisje dat hij op de kermis treft. Soms ook door het lezen van de tekst van een rapport van wéér een instantie. Ook bijzonder: samen met het portret van Fedde krijgen we stukken vanuit andere onder toezicht gestelde jongeren. Ze hebben ergens een ontmoeting met Fedde, maar zijn soms ook niet meer dan een naam die hij zich herinnert. Door deze mozaïekaanpak komen we op een wervelende manier heel veel te weten van deze jongeren. Maar uitleggerig wordt het nergens, eerder is het een kwestie van goed opletten, omdat Rutgers van der Loeff niet geïnteresseerd is in lesjes, maar in beweging, gebeurtenissen, observaties van binnenuit. O, en denk maar niet dat ze zin heeft in het vermijden van dat wat voor een achttienjarige jongen van belang is (zo schrijft ze ergens, in de stream of consciousness die dit boek ook is, dat de jongen besluit even rustig aan te doen met seks: 'Dan maar een beetje selfhelp - daar kwam je dan ook wel mee klaar, voorlopig.') En denk ook maar niet dat de schrijfster voorziet in een fijne, liefdeszoete afloop voor iedereen...

Tenslotte: die schrijfstijl. Natuurlijk lezen we er nu vooral de taal van de tijd in, maar dat is alleen maar de verpakking. Lees bijvoorbeeld deze passage, zomaar ergens uit de tekst geplukt:

Omdat het te koud werd, liep hij naar beneden en de straat op. Buiten begon het al licht te worden. De hemel was een warreling van zachte tinten, van grijs tot lila, lichtblauw en roze. De zon ging natuurlijk op, maar dat zag je niet van hier. In de polder zou je het kunnen zien, vanaf het allereerste ogenblik, het allereerste ronde kapje dat boven kwam en dat behoorde oranje te zijn. Een oranje segmentje.

Dat oranje kapje! En dit is dan maar een zijdelingse observatie, die niet gaat over de harde strijd om het doorkomen van de dag. Nu ja, ik wil maar zeggen: Ik ben Fedde, een boek dat in Nederland niet eens geldt als een van Rutgers van der Loeffs bekendste boeken, maar waar ze wel de Deutscher Jugendliteraturpreis voor kreeg, was weer een kleine openbaring voor mij. Wat een schrijfdurf had deze vrouw.

158 pagina's, leeftijd: 15+. Dit boek is niet meer leverbaar, zoek het in een bibliotheek of tweedehands.  

woensdag 26 augustus 2020

ALLEEN TEGEN ALLES - An Rutgers van der Loeff (Salamander)

Een jeugdboek uit 1962 - of eigenlijk een young adultboek, of eigenlijk: een boek (zoals de flaptekst zegt) 'voor volwassenen en bijna-volwassenen'. Dat is Alleen tegen alles, een novelle van An Rutgers van der Loeff die uitkwam in de Salamander-pocketreeks van uitgeverij Querido. De ondertitel van dit boek luidt overigens: Sluitstuk van een puberteit

Hoofdpersoon is de bijna achttienjarige Mark Hoensbroek. Hij zit nog op de middelbare school, heeft grote moeite met zijn docenten, met name met Doorwerth, van Latijn. Mark is lang en weet niet wat zijn doel in het leven zou moeten zijn. Hij wordt bewonderd door klasgenoten, meisjes vinden hem intrigerend, maar intussen is hij volledig van zijn voeten geveegd door het leven. Door de onechtheid van alles. Door zijn eigen stuurloosheid. Door zijn wens om iets échts te beleven, desnoods doodsangst - en door zijn gevecht tegen het gezapige, gewone, bedeesde van zijn vader en moeder. 

Het boek is een absoluut hoogtepunt in het werk van An Rutgers van der Loeff. Het laat een heel ander aspect van haar schrijverschap zien, dat we vooral kennen van dappere avonturen in extreme omstandigheden die door kinderen beleefd worden (zoals in De kinderkaravaan of Rossy, dat krantenkind). Alleen tegen alles daarentegen is een hypnotiserend boek dat geschreven is zoals veel werk van Virginia Woolf, als in een stream of consciousness. We zitten grotendeels in het hoofd van Mark en daar komen grieperige passages uit, zoals: 

'Gekkenwerk. Het was bezopen afstand te willen nemen van jezelf. Het was onnatuurlijk. Het maakte je wanhopig. Het werd een ziekte. In jezelf kunnen wegkruipen, helemaal in jezelf, zodat je niets anders dan jezelf zag, bevredigd zijn alleen met jezelf, blindelings, dom en fijn. Dat moest je kunnen. Dan was je minder ongelukkig. Dan was je beter geïntegreerd. Modewoord. Bah.'

De figuur van Mark krijgt een spannende spiegeling in de verstandige, verantwoordelijke Pieter, maar uiteindelijk draait alles om de levenskoorts van Mark. Het boek draagt ook zeker echo's van De avonden (1947) van Gerard van het Reve, waar het de tekening van het stuurloze weg willen uit alles betreft. Heel bijzonder ook, zeker voor Rutgers van der Loeff, is de vrijmoedige seksualiteit. Zo moet de passage over de ongewilde erecties die Mark krijgt (bijvoorbeeld tijdens de opvoering van een toneelstuk van Vondel!) op z'n minst opmerkelijk zijn geweest in de vroege jaren zestig. Het boek sluit af met een werkelijk grandioze eindwerveling - en in al zijn jarenzestigheid zijn het passages als die laatste die het nog altijd geldend maken. Laat het duidelijk zijn: dit is een van mijn favoriete Rutgers-van-der-Loeffen tot nu toe.

Lees mijn vorige Rutgers-van-der-Loeff-leesverslagen hier, hier, hier, hier en hier.

maandag 20 april 2020

ROSSY, DAT KRANTENKIND - An Rutgers van der Loeff (Ploegsma)

An Rutgers van der Loeff-Basenau (1910-1990) is in de geschiedenis van de Nederlandstalige kinder- en jeugdliteratuur een van de allergrootsten en ik las nog geen enkel boek van haar - dat kan natuurlijk niet. De afgelopen dagen maakte ik dat goed, en met groot leesplezier en stijgende waardering las ik Rossy, dat krantenkind (1952). Niet haar bekendste roman (dat waren De kinderkaravaan uit '49 en Lawines razen uit '54), maar wel het boek dat al sinds de jaren zeventig in mijn ouderlijk huis aanwezig was, en dat zowel mijn broer (het was zijn cadeau) als ik nooit lazen - tot nu.

Rossy, dat krantenkind speelt in Amerika. Hoofdpersoon is Roswita, het veertienjarig oudste kind uit een gezin van acht (!), met een lieve, speelse vader en een lieve, bezorgde moeder. Het gezin is arm, Rossy doet het huishouden en zorgt voor de zeven andere kinderen, terwijl haar ouders zoveel mogelijk werken om alles draaiende te houden. Dat klinkt als een zorgelijk probleemboek, maar opvallend genoeg is het dat helemaal níét - er gaat van alle personages een bepaalde opgewektheid uit. Rossy, die naast het dagelijkse wassen en zorgen, ook nog een krantenwijk doet, droomt van dansen en vooral van een huisje in de rijke straat die ze dagelijks van kranten voorziet. Dat huisje komt er, door haar toedoen, maar dan begint het echte drama: het huis brandt af en Rossy raakt bij het uit de vlammen redden van haar jongste broertje ernstig gewond. Nog opvallender aan het boek: ook dán houdt het verhaal, naast alle tegenslag, een montere, warme toon. Dat is misschien wel het meest knappe aan dit boek: Rutgers van der Loeff gaat niets uit de weg, standsverschil, hypocrisie, hijgerigheid van de pers - maar alles wordt bijeengehouden door buitelende gezinstaferelen en schitterende dialogen. Dwars door alle ellende zijn de broertjes en zusjes échte kiftende broertjes en zusjes, zijn er de geweldige korte gesprekjes tussen de jonge vader en moeder, worden buren en vriendjes in een handomdraai geschetst - Rutgers van der Loeff was een flonkerende schrijfster.

Of het boek gedateerd is? Wat betreft soepelheid, humor en thema: allerminst. Het leest ook nog steeds razendsnel, en de fysieke, beeldende manier van schrijven maakt de historie bijna opsnuifbaar. Wel is het gebruik van sommige woorden gedateerd, zo wordt (in de druk die ik las, uit 1972) het n-woord vrijelijk gebruikt, iets wat in de jaren waarin dit boek ontstond normaal was. Rutgers van der Loeff plaatst haar verhaal in tijden van razende rassendiscriminatie. Het is niet het hoofdthema van het boek, maar wordt wel vaak aangeraakt, en het is dan overduidelijk aan welke kant Rutgers van der Loeff stond. Zie bijvoorbeeld dit gesprekje tussen Rossy's kauwgomkauwende jongere zusjes en Sammy, Rossy's zwarte schoolvriendje (als Rossy met haar brandwonden in het ziekenhuis ligt).
'Wat in het Zuiden?' vroeg Maria.
'Daar maken ze nóg meer onderscheid tussen blanken en mensen zoals wij,' zei Sammy.
De beide meisjes kauwden en bliezen om het hardst. 
'Rossy maakte nooit onderscheid,' zei Sammy dromerig.
'Rossy maakte wel onderscheid,' zei Maria. 'Zij vond jou de aardigste.'
Sammy zweeg. Toen zei hij: 'Wacht maar eens tot we groot zijn.'
Maria trok haar schouders op. 'Als ze jou het aardigst vindt, vindt ze jou het aardigst.'

Nee, ik las nooit eerder een boek van deze schrijfster, die net vóór grote namen als Miep Diekmann en Jaap ter Haar, furore maakte met goed gedocumenteerde, dappere, montere, heel on-Nederlandse boeken en in 1967 de Staatsprijs kreeg. Ik wil nu snel proberen haar overige werk te lezen en hoop waarlijk dat anderen dat ook zullen doen. Deze schrijfster verdient brede herwaardering, en Rossy, dat krantenkind is alvast een fantastisch begin.

192 pagina's, leeftijd: 12+
Bestel dit boek als e-book hier, of als tweedehands uitgave hier.     

vrijdag 1 mei 2020

DONALD (Salamander, Querido) en ZE VERDRINKEN ONS DORP (Ploegsma, met tekeningen van Carl Hollander) - An Rutgers van der Loeff

Onlangs las ik mijn eerste An Rutgers van der Loeff-boek: Rossy, dat krantenkind. Ik was zo verrast door de durf, de stijl en de lichtheid van deze grote schrijfster - wat een schande dat ik haar niet kende - en schreef dat ik snel meer van haar zou lezen. Dat ben ik inderdaad gaan doen. Ik las de ontroerende jongerenroman Donald en het spannende kinderboek Ze verdrinken ons dorp.

Donald trekt meteen, vanwege het intrigerende omslag dat getekend werd door Thé Tjong Khing. We zien een spichtig jongetje in bed. Zijn gezicht in ingezwachteld en boven hem, aan de muur hangen drie posters van een baseballheld. Op de achterflap staat dat Rutgers van der Loeff op een van haar Amerika-reizen met de boot van een kreeftenvanger uitvoer, en vlak voor ze aan boord ging sprak ze vijf minuten met zijn vijftienjarig hulpje, Donald, die als klein kind zijn ouders bij een verkeersongeluk verloor en daarbij zelf verminkt raakte in zijn gezicht. Ze besloot zijn geschiedenis (die ze van de kreeftenvanger hoorde) op te schrijven.
Het werd een fantastische, vlotte, ontroerende novelle. Donald is een stoer jongetje, die van tehuis naar tehuis zwerft en in de zomers bij zijn oma logeert, die vroeger een beroemd filmster was. Zo maakt hij zowel het arme, berooide leven als het jetset-leven mee. Zijn idool is Dougy Williams, sportheld. Die hij ook echt ontmoet. Maar dan is het nog niet gedaan met de tuimelingen in Donalds leven, en dat alles schreef Rutgers van der Loeff uiterst zintuiglijk op, met gedurfde perspectieven (het boek begint bijvoorbeeld met een hoofdstuk vanuit de directeur van zijn internaat) en flitsende dialogen.

Die spattende gesprekken en dat ruwe, zintuiglijke leven vinden we ook terug in het al even geweldige Ze verdrinken ons dorp (met prachtige tekeningen van niemand minder dan Carl Hollander). Dit verhaal speelt in Saint Sylvestre, een verloren dorpje in het zuiden van Frankrijk en is óók op waarheid gebaseerd (Rutgers van der Loeff verbleef er een tijdje).
Iedereen uit het dorp moet verhuizen naar een hoger gelegen plek, want er is een stuwdam aangelegd en het daldorp zal in zijn geheel in het stuwmeer verdwijnen. De oude Pépé is een woesteling die zich hevig verzet. Hij is ook de grootvader van Leonie, Pierre, Jean Jacques en de jongste, de twaalfjarige Francine. Na de dood van hun moeder heeft opa hen en hun apathische vader in huis genomen. De kinderen weten niet of ze wel zo tegen dat verhuizen moeten zijn, maar Pépé brult zijn bezwaren elke dag uit. Er volgt zelfs een tocht naar Parijs, om met de president te gaan praten - die zal het onrecht tegenhouden, hoopt Pépé. Dat loopt natuurlijk allemaal anders, en er is een spannend plot waardoor je heel graag wilt weten hoe het afloopt - maar net als in Donald zijn het de dialogen, is het de échtheid van de personages, de filmachtigheid zelfs, waardoor het lezen van deze boeken niet lezen is, maar smullen.


Donald:
144 pagina's, leeftijd: 14+ en volwassenen
Dit boek is niet meer in de handel, maar is goed tweedehands te bestellen, bijvoorbeeld hier.  

Ze verdrinken ons dorp:
136 pagina's, leeftijd: 12+
Dit boek is niet meer in de handel, maar is goed tweedehands te bestellen, bijvoorbeeld hier

woensdag 14 april 2021

GEWOON IN HET ONGEWONE - An Rutgers van der Loeff (Ploegsma)

An Rutgers van der Loeff (1910-1990) trok zich niks aan van genres en van leeftijden - ze schreef waar ze over wilde schrijven. Of wat haar werd aangereikt. Dat kon het jubileum van het ondertoezichtstellingschap door de kinderrechter zijn of een knipsel dat haar uitgever haar gaf: als ze er een verhaal in zag stortte ze zich erin. Voor een wat minder bekend geworden boek, Gewoon in het ongewone, verdiepte ze zich in jongeren die als vrijwilliger naar Afrika gingen. Ze ging zelf naar het continent en moet met heel wat jongeren gesproken hebben, want het is verbijsterend hoe ingeleefd dit boek is. De zintuiglijke indrukken, de gesprekken, de onzekrheid, de overtuigingen - alles doet authentiek aan.

Nee, een groot talent voor pakkende titels had ze misschien niet, en ook het omslag is niet bijster aantrekkelijk, maar er valt weer veel te genieten in dit boek, dat zich trouwens niet op jongeren of kinderen richt en het dus niet per se moet hebben van spanning of makkelijk lezen. Maar de keuzes die Rutgers van der Loeff maakte zijn interessant. Ten eerste laat ze het verhaal in een fictief Afrikaans land spelen, met fictieve personages, maar op zo'n manier en met zulke zintuiglijke details dat alles schier echt aanvoelt. Hoofdpersonage is Martie, een meisje dat zich vooral met vaccineren bezighoudt (tegen mazelen met name) en dat samenwoont met de wat struisere en stuursere Bea. En er zijn ook jongens. Er is de vlotte en welbespraakte Lex, en de eenvoudigere, maar meer praktische Dirk. Beiden zijn dol op Martie, maar zij voelt zich wat klem zitten tussen de aandacht van de jongens (die zich bijvoorbeeld, heel grappig, om de beurt ergeren aan het feit dat Martie volgens hen in haar conversatie woorden overneemt van de ander).

Zoals vaak bij Rutgers van der Loeff bevindt de schrijfster zich vooral in het hoofd van haar eerste personage, maar ze kan, als een zwevend geestje, ook soms zomaar een alina vanuit een van de twee jongens schrijven. Het is razand knap hoe soepel Rutgers van der Loeff dat doet en hoe het totaal geen moeilijkheden voor de lezer oplevert.

Zoals gezegd: Gewoon in het ongewone is niet haar gemakkelijkste en ook niet haar spannendste boek. Maar het is intrigerend hoe het doortrokken is van de ambivalentie over ontwikkelingswerk. Het boek verscheen in 1971, maar kan, juist door het belichten van alle kanten, van nu zijn. Zo zegt Lex ergens bijvoorbeeld: 'We hebben niet het récht die mensen onder druk te zetten. We hebben niet het recht misbruik te maken van onze vervloekte huidskleur.' En ook verder gaat het steeds over wat de zin van ontwikkelingswerk zou moeten zijn, kan zijn, of totaal niet is. Die voortdurende nuancering alleen al maakt dit vergeten boek tot een boeiende leeservaring. 

maandag 7 september 2020

HET LICHT IN JE OGEN - An Rutgers van der Loeff (Ploegsma)

In 1956 publiceerde An Rutgers van der Loeff (van wie ik het hele oeuvre aan het lezen ben) de kinderroman Het licht in je ogen. Hiervoor deed ze onderzoek bij een blindeninstituut en het boek is ook gebaseerd op de wederwaardigheden van een jongen die ze kende, Cornelis Noot - in het boek kortweg Kees genoemd.

Kees raakt slechtziend (en daarna langzaam blind) nadat hij in een kalkput op een bouwplaats is gevallen. Dit gebeurt al vroeg in het verhaal en de meeste bladzijden van het boek zijn gewijd aan Kees' langzame leren omgaan met het blind zijn en aan de dagelijkse gang van zaken op het instituut. Een mooie rol is weggelegd voor de vriendschappen, die met de ziende Geurt (zijn beste vriend vóór het ongeluk) en met de blinde Wiebe. 

Het licht in je ogen lijkt, mede door de titel, een boek met een groot gehalte aan ziekte-drama, maar wat nu juist treft bij het lezen is de levendige, beweeglijke toon. Die past dan ook volledig bij de drukke Kees, die aanpakken wil, die de wereld in wil, die druk en opvliegend is, die toppen van blijheid afscheert en dan weer snikkend in zijn hoofdkussen op zijn bed ligt. Daarmee schiep Rutgers van der Loeff een heerlijke hoofdpersoon waarin het als lezer moeiteloos instappen is.

Het fijnst is natuurlijk, opnieuw, Rutgers van der Loeffs kwieke taalgebruik, met haar zilversnelle dialogen en haar in een handomdraai verwoorden van soms heel complexe gevoelens. Voorbeeld? 'Kees dacht weer aan deze middag waarop de wereld van het licht voor hem was opengegaan, maar daarvan kon je niets aan je vader vertellen, ook al was hij schilder.'

Of, als Kees voor het eerst een trompet probeert te bespelen: 'Maar er kwam geen geluid. Hij had de eenden willen antwoorden. Hij had de ganzen iets willen toeroepen, hij wou recht naar de blauwe hemel blazen. Maar er gebeurde niets. Hij zat daar alleen met een rode kop en moest zichzelf uitlachen.'

Natuurlijk is het taalgebruik dat van de jaren vijftig (wat trouwens ook extra charme geeft), maar dat stoort nergens en ik denk dat dat komt omdat er zoveel vaart is. Hier zien we dat met name in de lol tussen de kinderen op het blindeninstituut - want die sparen elkaar niet: 'Moet je horen,' lachte Cootje. 'Ik liep in 't speelkwartier achter meneer Van der Veer en die vreemde dame die hier is komen kijken. En weet je wat ze zei? Zij had Miesje Krol gezien, hè? Nou, zei ze, die kleine Miesje, wat vind ik dat toch een dot van een kind!' Cootje sprak opeens heel geaffecteerd en met een dik opgelegde nadruk. 'En wat een ogen! Wat een scháttige ogen heeft dat stakkerdje! - Nou, ze moest es weten dat Miesje die schattige ogen 's avonds uitdoet!' 

Ja, ook dit boek is weer fris van toon, het is geweldig geschreven en het eindigt heel ontroerend. Daarmee moet ik het, ik kan niet anders, opnieuw bestempelen als een van de fijnere RvdLoeffen.

Lees mijn vorige Rutgers-van-der-Loeff-leesverslagen hier, hier, hier, hier, hier en hier.


vrijdag 15 mei 2020

VERLANGEN NAAR VRIJHEID en BRIEVEN AAN EEN ZIEKE JONGEN, OF: HET VERHAAL VAN DE HOND MAX (met tekeningen van Ina van Blaaderen) - An Rutgers van der Loeff (Ploegsma)

Ik ben met een kleine missie bezig: het lezen van alle boeken van An Rutgers van der Loeff. Het begon een paar weken geleden met het ontdekken van mijn eerste 'RvdL': Rossy, dat krantenkind. Daarna las ik zowel Ze verdrinken ons dorp als Donald, en alle drie vond ik prachtig. Deze week verslond ik weer twee nieuwe titels.

In 1951 verscheen Anna Menander, een 'jeugdboek' dat later omgedoopt werd tot Verlangen naar vrijheid. Die eerste titel doet meer recht aan wat het boek is, want het verhaal vertelt in negen hoofdstukken over het leven van de Zweedse Anna Menander. In het eerste hoofdstuk is ze vijf jaar oud, in het laatste achtendertig. Ze groeit op in een liefdevol, niet al te rijk gezin met heel wat broers en één zus. Anna is de jongste. (Opvallend: in het werk van RvdL komen vaak grote gezinnen voor. Knap ook, want dat vergt veel van de schrijver - alle broers en zussen moeten toch énige uitwerking krijgen, iets wat deze schrijfster moeiteloos voor elkaar krijgt).
Over Anna wordt al vroeg in haar leven dit gezegd: 'Een hart van puur goud, de moed van een Lappenjong, de trouw van een oude heemhond, nooit zal ze iemand in de steek laten of een belofte breken.' Mooie omschrijving. Het is ook de manier waarop haar oude broer haar introduceert aan zijn studievriend Albin. En deze Albin zal doorheen het boek de grote liefde van Anna blijken - en andersom. Maar het harde leven in het prille begin van de negentiende eeuw én hun koppigheid zorgt ervoor dat het steeds maar niet tot een toenadering komt. Of...?

Het boek vertelt vooral ook over Anna's zelfstandigheid en verlangen naar een vrij leven, dat niet door tradities of verwachtingen bepaald wordt. Het is niet voor niks dat een van haar vriendinnen aan haar vraagt of ze misschien een van die sufragettes wil worden (vroege strijders voor vrouwenrechten).
Een hoofdrol is er ook voor de Zweedse natuur. Verlangen naar vrijheid is daardoor net een zintuiglijk bonte Netflixserie in negen afleveringen, waarbij de eerste minuten van elk deel vooral op de natuur, de bossen, de bessen, de sneeuw, de meertjes, de bloemen wordt gefocust. Opnieuw een fantastisch RvdLoeffboek.

Voor wat jongere kinderen is Brieven aan een zieke jongen, of: het verhaal van de hond Max. Dit uit 1953 stammende boek bevat inderdaad brieven. Ze worden geschreven door de moeder van de jongen die in het ziekenhuis ligt. De eerste brief begint zo:

'Lieve jongen,

Eerst was ik bij jou in het ziekenhuis, weet je wel, en daar was alles licht en wit en warm, maar toen kwam ik op straat en daar was alles donker en nat en koud, ook al deden de Utrechtse lantaarns hun best.'

In die eerste brief wordt Max geïntroduceerd. Hij is een wilde, drukke waakhond die aan is komen lopen op het vakantieadres van de vader van de zieke jongen, lang geleden. Met elke volgende brief gaat het verhaal verder. In feite is met het verhaal van de hond de eerste kennismaking tussen de moeder en de vader verweven - de moeder van de zieke jongen vertelt hem dus (aan de hand van het relaas over Max) hoe zijn ouders elkaar hebben leren kennen en hoe ze verliefd zijn geworden. De brieven zijn soms uitermate grappig, maar dan komen we bij het eind van het boek, en dat zou je, laat ik het zo zeggen, niet snel meer in een hedendaags kinderboek tegen zou komen. In elk geval wordt nóg duidelijker waarom het verhaal van de hond verteld moest worden. Aan de zieke jongen. En door zijn moeder (en op de achtergrond: vader).
Een ontroerend, gedurfd boek.
Niet voor niks schrijft de uitgeverij op de binnenflap: 'Voor de jeugd,' zei de auteur. 'Voor ouderen,' zeiden wij. 'Voor iedereen,' zei een ander. 'Dat 's vast niet waar,' zei de auteur.

Deze boeken zijn alleen nog tweedehands verkrijgbaar. Binnenkort volgt hier het verslag van het lezen van een nieuw boek van Rutgers van der Loeff (of twee). 
 

donderdag 14 oktober 2021

JAKOB EN DE ZEVEN GEVAREN - Jacques Vriens (Van Holkema & Warendorf)

Het is een gestaag en rijk oeuvre dat Jacques Vriens door de jaren heen neer heeft gezet. Ik ben fan, en verheug me altijd op een nieuwe toevoeging. Vriens' laatsteling, Jakob en de zeven gevaren, is er een uit zijn reeks historische verhalen. Het verhaal speelt aan het eind van de jaren vijftig en Vriens keerde tijdens het schrijven gedeeltelijk terug naar zijn eigen kinderherinneringen. We lezen over een klas met 52 jongens, over tafeltjes met een klep waaronder je je spullen op moest bergen, over bij te vullen inktpotjes, over de leesmap met De Lach erin (waarover gezegd werd dat er blote vrouwen in stonden) en over kinderen die krasjes op hun arm van de schooldokter kregen, om te bepalen of ze tbc hadden.

De hoofdpersoon, Jakob Veenman (een naam met niet per ongeluk dezelfde initialen als die van de auteur), groeit in de loop van het boek uit van een jongen die overal gevaren ziet naar een jongen die die gevaren te lijf is gegaan en zodoende heeft zien verdampen. Hij wordt daarin bijgestaan door zijn oudere broer, maar vooral door Claartje, het vrijgevochten vriendinnetje waarvan sommige familieleden vinden dat hij maar niet meer met haar om moet gaan.

Het boek is een echte Vriens geworden Het leest licht en helder, maar bevat warmte en gewicht. En de entree van het boek is heerlijk. Alleen de eerste zin al: 'Iedere dag als ik naar school loop, dreigen er zeven gevaren.' Of hoe Vriens even verderop in een tweetal zinnen de kar van de schillenboer typeert: 'Het ruikt alsof iemand stukjes rotte appel in je neus propt.' Jakob en de zeven gevaren is een fijne toevoeging aan het JV-heelal, en natuurlijk waardeerde ik ook zéér de ode die Vriens terloops brengt aan de boeken van An Rutgers van der Loeff.    

128 pagina's, leeftijd: 10+. Koop dit boek bij je lokale boekhandel, of bestel het hier.